Preek bij het hoogfeest van de verheffing van het heilig Kruis

Er is nog voldoende te winnen

Zusters en broeders,
<!– used as thumbnail: –>Het is moeilijk voor te stellen hoe een teken van kwaad of een gewelddadige dood hoop kan geven in tijden van angst, pijn, verdriet of totale verlatenheid. De geloofwaardigheid van het christelijke geloof staat tegenwoordig op het spel en mensen verliezen hun geloof door alle ellende en verdriet die door geloofsgenoten en voorgangers in het geloof overal ter wereld werd veroorzaakt en nog steeds aan het licht komt. Kerken gaan van schandaal naar schandaal en ondertussen proberen we de boel bij elkaar te houden en zoeken we onderling naar bemoediging. In dat zoeken worden we met zijn allen wakker geschud en zien we dat niet alleen de kerk, maar heel de wereld van schandaal naar schandaal trekt. Daarbij worden voorstrijders voor verandering en een betere omgang met elkaar, zelf verdacht gemaakt en lijken zelf schuldig te zijn. Hoe kunnen we elkaar nog vertrouwen? Waar vinden we nog mensen die oprecht zijn? Hoe kijken we naar onszelf? Hoe reageer je zelf op anderen? Is jouw eigen handelswijze wel passend in deze maatschappij? Durven we nog wel vooruit te gaan in het leven nu de angst voor het onbekende steeds meer de overhand krijgt? Met steeds grotere verbazing aanschouw ik ons leven in onze samenleving en het gevoel bekruipt mij dat we onze echte vrijheid dreigen te verliezen, want durven we eigenlijk nog te handelen en te spreken volgens de waarden die we zelf hebben? Voelen we ons nog vrij genoeg?
Populistische personen maken daar handig gebruik van door op harde manier in te gaan tegen de gevestigde orde, of tegen het onbekende. Ze zoeken bijval van mensen die zich onzeker voelen en angstig in deze samenleving. Het is een giftige handelswijze die teert op de angst van mensen en die uiteindelijk tot doel heeft de mensheid te ontwrichten en zo het levensdoel te vertroebelen of zelfs te vernietigen. De mensheid heeft dringend behoefte aan een boodschap van liefde, hoop en verdraagzaamheid en er is nog voldoende te winnen voor de mensen tot dat betreft.

 

Mozes in de verlatenheid

Het lijkt een dor terrein waarop de mensheid zich lijkt te begeven. Een woestijn waarin de mensheid met elkaar zich toch verlaten kan voelen. Zo treffen we ook Mozes aan midden in woestijn, samen met Gods volk. Het nieuwe leven dat God met zijn volk voor ogen had lijkt een verloren zaak. Israël is in de woestijn terechtgekomen. Het is de plek waar verlatenheid heerst, waar geen inwoners lijken te zijn en waar het kwaad rondgaat als slangen die de mensen vergiftigen met hun beten. Niet zozeer plek in plaats en tijd, maar een toestand van een volk dat geen doel meer lijkt te hebben. Het kwaad verspreidt zich en de één na de ander vindt daarbij de dood. Mensen beginnen zich af te vragen wat er toch geworden is van hun leven en worden angstig. Zij die niet meer geloven in de goede zaak, die alleen nog maar kunnen klagen over hun zoektocht naar het beloofde land, vallen bij bosjes om. Ze verlaten de weg die naar nieuw leven zou leiden, door het gebrek aan vertrouwen dat ze hebben. Het slangengif brengt de dood, letterlijk of figuurlijk.

Daar, in die verlatenheid die Mozes ook pijnlijk zal hebben ervaren, zijn er dan toch nog mensen die de hoop niet willen opgeven en vragen om duiding, om een teken dat hun eruit kan helpen. Het is niet de eerste keer dat ze op een dood spoor lijken te zitten en ze hebben gemerkt dat in die moeilijke tijden God toch zijn volk niet zal verlaten en hen zal aanspreken op bijzondere wijze en bijzondere dingen voor ze doet. Genade kan in de woestijn van het leven overvloedig vloeien, wanneer men tot inkeer komt en de heilloze weg die ze ingegaan zijn onder ogen komen. Het is het kwaad dat daaruit voortkomt dat Mozes in brons laat gieten en tot teken stelt van verlossing en hoop. Het is een blijvend teken dat herinnert aan de zonden en daardoor een blijvende herinnering aan de hoop.

Aangetrokken door Jezus

Het hoogfeest van Kruisverheffing dat we vandaag vieren, vestigt onze aandacht op het teken van hoop dat Jezus stelde. Jezus moet de weg van het lijden en sterven gaan, alleen daardoor kan de verrijzenis plaatsvinden en zo zijn verheffing en verheerlijking. Door die weg te gaan haalt Hij iedereen naar zich toe en wordt zelf teken van de doorgang door de dood heen naar nieuw leven in God. In de vergelijking met de bronzen slang mogen we ons bewust worden dat in Jezus een nog grotere aanwezigheid is van God. Wie opziet naar het kruis komt tot inkeer en zal heling vinden in het leven.

Het is een mysterie en moeilijk voor te stellen voor ons. Het roept de vraag bij velen op in hoeverre dit een historisch feit is en mensen maken er vele theorieën over die stuk voor stuk het verhaal lijken te ontkrachten. Maar het is een werkelijkheid die voor de leerlingen weldegelijk gold. Het speelt zich af in Gods sfeer. Het oude is voorbij en een nieuwe vorm van bestaan ontstaat, die niet zomaar aanschouwelijk te maken is, behalve door de ervaringen die mensen met elkaar delen. De steun die ze eruit ontvangen en die ze weer kunnen delen met anderen. In Gods sfeer is de dood niet zomaar de dood en is er altijd de mogelijkheid een nieuw begin te maken in dit leven of er na.

Er is nog voldoende te winnen

‘Er is nog voldoende te winnen’ zei ik in het begin van mijn preek. De wereld lijkt misschien nog maar weinig houvast te bieden voor een verhaal van hoop. De kerken blijken daarin in eerste instantie geen geloofwaardige basis te bieden. Overal waar mensen het heft in eigen handen nemen lijkt chaos, kwaad, verdriet en pijn te ontstaan. Onze wereld snakt eigenlijk naar een stukje God in het leven. Ze hunkert naar de werkelijkheid van God, waarin we mogen opzien naar het kruis en beseffen dat het leven hard is en vol pijn en verdriet, maar nooit zonder hoop. Want in Gods werkelijkheid kan iedereen nieuw leven krijgen, door Jezus, onze Heer. Laten we daarin elkaar inspireren.

Amen.

Pastoor Victor Scheijde

Preek bij het hoogfeest van de verheffing van het heilig Kruis, 16 september 2018

Numeri 21, 4-9; Filippenzen 2, 5-11; Johannes 3, 13-17